Het virus is alom verspreid over de ganse wereld. Tot nu toe is de situatie in België als volgt: het virus wordt sporadisch opgemerkt in het vlaamse landsgedeelte, maar er leven hier geen "reservoirs", d.w.z. er zijn geen dieren die het virus herbergen en overzetten. In het franstalig landgedeelte, onder de Maas-Samber-lijn bestaan wel reservoirs, als de vos en wilde knaagdieren, zodat het virus zich kan onderhouden en verspreiden. In Europa en Canada zijn vos en knaagdieren eveneens de reservoirs. In Azië, Afrika en Amerika, zijn de hond en de vleermuis de reservoirs voor het virus. Zoals boven vermeld verloopt de infectie fataal. D.w.z. eens het virus in het centraal zenuwstelsel beland is, met symptomen van karakterverandering (overmoed, agressie, etc.) en allerhande verlammingen, is er geen behandeling meer mogelijk.
Men kan nog wel behandelend optreden wanneer het virus in de wonde zit of nog aan het migreren is in de zenuwbanen. Er wordt dan specifiek antiserum (immuunserum) toegediend. Dwz men injecteert specifieke antistoffen (afweerlichamen) in het lichaam, die het virus kunnen neutraliseren en onschadelijk maken. Dit wordt uiteraard gedaan bij de mens die gebeten is door een verdacht dier (hond,kat,schaap, vos, koe, knaagdier...). Wanneer zo'n gebeten mensen direct naar de dokter gaat, kan zelfs nog een echte vaccinatie hulp bieden: een vaccin stimuleert de aanmaak van antistoffen in het lichaam. Dit duurt uiteraard wel wat langer dan direct de antistoffen toe te dienen.
(overgenomen met schriftelijke toestemming van:http://www.vvd-dierenkliniek.be)
Als je dit artikel interessant vond en op de hoogte wilt blijven schrijf je dan in op onze nieuwsbief



